Maatregelen medewerker ter voorkoming letsel door regelmatig zakelijk autorijden

Maatregelen medewerker ter voorkoming letsel door regelmatig zakelijk autorijden

Voor je op pad gaat:

  • Controleer je auto regelmatig; denk hierbij aan bandenspanning, profiel van de banden en de (achter)verlichting.

  • Plan voor vertrek je route en stel je navigatie in voordat je gaat rijden.

  • Leg geen losse spullen in je auto.

  • Neem voorzorgsmaatregelen zodat jij de gevolgen van een ongeval kan beperken of bij pech kan handelen. Zorg voor een veiligheidshesje, een veiligheidshamer binnen handbereik en eventueel een isoleerdeken.

  • Neem een veilige zithouding aan en stel je autostoel op de juiste manier in. Gordels en airbags zijn onvoldoende effectief als de zithouding niet juist is. 

 

Tips:

    • De juiste handstand op het stuur is kwart voor drie, met de duimen op het stuur.

    • Pak bij het sturen in een bocht niet meer kruislinks over, maar geef het stuur in de handen door. Vermijd gekruiste armen, hierdoor heeft een airbags altijd de mogelijkheid om tussen de armen door te komen. Zo heb je minder risico dat je armen hard in je gezicht worden geslagen en polsen en vingers breken door de klap van de airbag.

    • De afstand tussen stoel en stuur en pedalen moet zodanig zijn dat de armen (polsen op de bovenkant van het stuur) en de knieën (koppeling ingetrapt) licht gebogen zijn. Dit verkleint de kans op gebroken ledematen bij een botsing.

    • Voor het goed aanvoelen van de auto en voldoende steun in de rug moet de linkervoet goed afsteunen tegen het schutbord naast het koppelingspedaal.

    • Gordel goed aangespannen en een rechte zithouding. Een scheve zithouding kan tot gevolg hebben dat de gordel meer letsel veroorzaakt dan voorkomt.

 

Tijdens het autorijden

  • Draag altijd je gordel.

  • Houd je aan de algemene verkeersregels, zoals maximum snelheid, matrixborden boven de weg en voldoende afstand tot je voorligger.

  • Bel handsfree en houd de gesprekken kort.  

Na het autorijden

  • Parkeer je voertuig in de daarvoor bestemde parkeervakken.
  • Bij afwijken van een normale parkeersituatie als je voor werkzaamheden moet parkeren bij een arbeidsplaats, anders dan bij een kantoorlocatie of klant, neem dan de voorschriften in acht die in de CROW 96b zijn beschreven. Denk daarbij aan het plaatsen van je voertuig vóór de werkplek in de rijrichting van de alternerende verlichting (en houdt rekening met de veiligheid van de andere weggebruikers).

  • Meld (bijna) ongevallen en onveilige situaties bij jouw direct leidinggevende en

  • volg de intern afgesproken procedures.


Bij slechte weersomstandigheden

  • Zorg dat de auto in orde is.
  • Pas je rijgedrag aan de omstandigheden aan.
     

Auto te water
Mocht je met je auto te water raken, verlaat dan zo snel mogelijk je auto. Doe het volgende:

  • Doe de binnen- en buitenverlichting aan
  • Laat contact aan
  • Maak zo snel mogelijk je gordels los (ligt auto op zijn kop, plaats voeten tegen dashboard- druk jezelf tegen stoel- duw met hand tegen dak aan- maak met andere hand sluiting van gordel los)
  • Open of verbrijzel de zijruit, dakraam of achterruit
  • Lukt dat niet, wacht tot je auto grotendeels is gezonken, neem hap lucht en open portier
  • Verlaat auto via deur of ruit.

 

Oplossing voor: 
Werknemer
Oplossing status: 
Goedgekeurd door de Nederlandse Arbeidsinspectie
Oplossing status